Voorstel van Rijkswet inzake Belastingregeling Nederland Curacao

Voorstel van Rijkswet inzake Belastingregeling Nederland Curaçao (BRNC)[1]

 

Door: mw. mr. Shulaika Paassen-Delsol[2]

Datum: 11-6-2014

 

 

Bij Koninklijke Boodschap van 5 juni 2014 is een gewijzigd voorstel van rijkswet inzake een Belastingregeling Nederland- Curaçao ingediend bij de Tweede Kamer ter goedkeuring.

De Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) is sinds 1965 van toepassing tussen de landen van het Koninkrijk om dubbele belasting te vermijden en het ontgaan van belasting te voorkomen.

Deze BRK wordt thans opgevolgd door drie bilaterale regelingen ter vermijding van dubbele belasting die de vorm krijgen van een rijkswet, omdat het regelingen betreffen die gelden binnen het Koninkrijk. Daar waar geen bilaterale regeling tot stand is gebracht, blijft de multilaterale BRK gelden. Als tussen alle landen binnen het Koninkrijk nieuwe bilaterale regelingen of eenzijdige regelingen ter vermijding van dubbele belasting gelden kan de BRK uiteindelijk vervallen.

Voor de BRNC(hierna: BRNC) is het OESO-modelverdrag het vertrekpunt geweest, maar op onderdelen is evenwel van dat model afgeweken om beter aan te sluiten bij de fiscale stelsels en het fiscale beleid van Nederland en Curaçao en om recht te doen aan de koninkrijksrelatie tussen beide landen. De aansluiting bij het OESO-modelverdrag brengt met zich dat de toelichting bij het modelverdrag (verder: het OESO-commentaar) van belang is voor de uitleg van de in de BRNC opgenomen bepalingen.

Een belangrijk onderwerp van de BRNC betreft de uitwisseling van informatie tussen de belastingdiensten van beide landen. Dit betekent dat Nederland en Curaçao automatisch informatie zullen gaan uitwisselen conform de mondiale standaard. Daarnaast zullen Nederland en Curaçao nadere afspraken maken over automatische uitwisseling van informatie ten aanzien van bijvoorbeeld pensioenen, lonen en salarissen, bestuurders- en commissarisbeloningen en bezit van onroerende zaken. Curaçao zal tot slot informatie gaan uitwisselen over rentebetalingen in lijn met de EU- spaarrenterichtlijn.

BRNC bevat bepalingen ter vermijding van dubbele belasting en tegen het ontgaan van belasting. De belangrijkste onderwerpen waar beide landen vooraf verschillende standpunten over innamen en die tijdens de besprekingen uitgebreid aan de orde zijn gekomen, hadden betrekking op:

Ø  de behandeling van deelnemingsdividenden,

Ø  de artikelen die zien op het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de in de regeling opgenomen bepalingen,

Ø  de verdeling van heffingsrechten over pensioenen,

Ø  hoe om te gaan met de waarborging van nationale successie- en schenkingsheffingen en

Ø  heffingsrechten over voordelen uit aanmerkelijk belang na emigratie van een natuurlijk persoon.

 

Hieronder wordt op deze onderwerpen ingegaan.

 

Deelnemingsdividenden

Voor deelnemingsdividenden is een uitsluitende woonlandheffing overeengekomen. Voor toepassing van de uitsluitende woonlandheffing worden nadere eisen gesteld aan het lichaam dat de dividenden ontvangt via een Limitation on Benefit- clausule (hierna: LOB-bepaling). In BRNC is bij het vormgeven van de categorieën kwalificerende personen een onderscheid beoogd tussen dividenden die worden uitgekeerd binnen een ondernemingstructuur en dividenden die worden uitgekeerd in een beleggingstructuur om recht te doen aan het hiervoor beschreven uitgangspunt om (economische) dubbele belasting binnen ondernemingstructuren zoveel mogelijk te voorkomen.

Bij wijze van overgangsmaatregel is daarom voorzien in een tijdelijke regeling voor situaties waarin (nog) niet volledig aan de gestelde eisen wordt voldaan. Voor die situaties geldt tot uiterlijk eind 2019 een bronheffing op deelnemingsdividenden van 5 procent.

Voor overige dividenden is in beginsel een bronheffing van ten hoogste 15 procent overeengekomen, zij het dat op dit punt nog een afwijkende regeling is getroffen voor dividenden die betrekking hebben op van het ene land naar het andere land geëmigreerde aandeelhouders met een aanmerkelijk belang (aanmerkelijkbelangvoorbehoud).

Daarnaast is bepaald dat de hiervoor besproken vrijstelling van bronheffing geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van Nederland om op dividenden vanuit Caribisch Nederland naar Curaçao 5 procent opbrengstbelasting in te houden, omdat de opbrengstbelasting (samen met de vastgoedbelasting) een vervanging vormt van een traditionele winstbelasting en deze heffing aan de bron aldus niet resulteert in dubbele (economische) belasting zoals hiervoor is beschreven.

Het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de regeling

In de BRNC is een LOB-bepaling opgenomen die oneigenlijk gebruik van de vrijstelling van bronheffing over deelnemingsdividenden beoogt te voorkomen. Een LOB-bepaling is - kort gezegd - een bepaling die tot doel heeft de toegang tot een verdrag dan wel tot specifieke verdragsvoordelen uitsluitend te verlenen aan bepaalde kwalificerende personen.

De verdeling van heffingsrechten over pensioenen

Er is een gedeeld heffingsrecht voor particuliere pensioenen overeengekomen met een heffingsrecht voor het bronland van 15 procent. Bij afkoop van een pensioen is overeengekomen dat aan het bronland een volledig heffingsrecht toekomt. Voor pensioenen in de overheidssfeer, met uitzondering van de pensioenen van zogenoemde lokale medewerkers, en voor socialezekerheidsuitkeringen is het volledige heffingsrecht eveneens toegewezen aan het bronland.

Bij wijze van overgangsmaatregel is voorzien in een eerbiedigende werking (woonlandheffing) voor bestaande gevallen. Het gaat dan om uit Nederland afkomstige pensioenen e.d. die reeds zijn ingegaan op de datum van dagtekening van de koninklijke boodschap waarbij het voorstel van rijkswet is ingediend (in casu 5 juni 2014), van personen die op die datum reeds inwoner zijn van Curaçao.

De waarborging van nationale successie- en schenkingsheffingen

Onder de BRK bestaat uitsluitend voor schenkingen (en niet voor nalatenschappen) gedurende de eerste 12 maanden na emigratie van de schenker een heffingsrecht voor het oorspronkelijke woonland. Op verzoek van Nederland is in de BRNC bepaald dat beide landen in voorkomende gevallen gedurende de eerste vijf jaar na emigratie onverkort hun nationale heffingsrechten ter zake van schenken en erven kunnen uitoefenen.

Bij wijze van overgangsmaatregel is voorzien in eerbiedigende werking voor bestaande gevallen. Het gaat dan om Nederlanders die op het tijdstip van dagtekening van de reeds genoemde koninklijke boodschap  (5-6-2014) al inwoner waren van Curaçao. De overgangsmaatregel bestaat erin dat zij niet worden getroffen door het verlengen van de onder BRK geldende termijn van 12 maanden naar de thans voorgestelde termijn van vijf jaar.

De heffingsrechten over voordelen uit aanmerkelijk belang na emigratie van een natuurlijk persoon

Door middel van het zogenoemde “aanmerkelijkbelangvoorbehoud” wordt gedurende enige tijd na emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder een heffingsrecht over dividenden en vermogenswinsten uit het aanmerkelijk belang voor het voormalige woonland zeker gesteld. Dit heffingsrecht voor - in casu Nederland - geldt in de regeling voor een periode van tien jaar na emigratie en strekt zich uit tot dividenden en vermogenswinsten die door de geëmigreerde aanmerkelijkbelanghouder in die periode worden gerealiseerd.

Onder de BRK gold een termijn van vijf jaar, hetgeen is terug te voeren op het destijds geldende verdragsbeleid van Nederland. Daarom is bij wijze van overgangsmaatregel voorzien in eerbiedigende werking voor bestaande gevallen. Het gaat dan om natuurlijke personen die op 5-06-2014 reeds naar Curaçao waren geëmigreerd. De maatregel bestaat erin dat zij niet worden getroffen door het verlengen van de onder de BRK geldende termijn van vijf jaar naar de thans voorgestelde periode van tien jaar.

In aanvulling op hierboven beschreven onderwerpen worden onderstaand de overige in de BRNC opgenomen bepalingen puntsgewijs aangestipt:

Ø  Het Caribische deel van Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is binnen de territoriale reikwijdte van de regeling gebracht (artikel 3, eerste lid, sub b, onderdeel 2);

Ø  een omschrijving van het begrip inwoner die aansluit bij het Nederlands fiscaal verdragsbeleid (artikel 4, tweede lid);

Ø  uitsluiting van een aantal van belastingheffing vrijgestelde lichamen van bepaalde voordelen van de regeling (artikel 1);

Ø  indien sprake is van een lichaam met een dubbele woonplaats zal in onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten getracht worden de woonplaats vast te stellen (artikel 4, vijfde lid);

Ø  als een onderneming gedurende langere tijd diensten verleent in het andere land kan dit leiden tot de aanwezigheid van een vaste inrichting aldaar (artikel 5, vierde lid);

Ø  een specifieke regeling voor werkzaamheden buitengaats waardoor ten aanzien van deze werkzaamheden sneller een vaste inrichting wordt geconstateerd (artikel 5, vijfde, zesde en zevende lid);

Ø  opname van de 2010-tekstversie van het in het OESO-modelverdrag opgenomen artikel betreffende de verdeling van heffingsrechten over winst uit onderneming (artikel 7);

Ø  een artikel dat het heffingsrecht over de inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars toewijst aan het land waar de daarmee samenhangende werkzaamheden worden verricht (artikel 16);

Ø  een bijzondere bepaling in het artikel betreffende de wijze van vermijding van dubbele belasting voor lichamen met een passieve vaste inrichting (artikel 21, vierde en achtste lid);

Ø  een bepaling die ziet op waarborgen tegen oneigenlijk gebruik van de in de BRNC opgenomen voordelen (artikel 22);

Ø  een regeling voor onderling overleg met de mogelijkheid van (verplichte) arbitrage (artikel 24);

Ø  een informatie-uitwisselingbepaling gebaseerd op artikel 26 van het OESO-modelverdrag, met een uitbreiding van het toepassingsbereik naar toeslagdoeleinden (artikel 25);

Ø  een bepaling over wederzijdse bijstand bij invordering conform het OESO-modelverdrag, met als toevoeging een doelmatigheidsgrens (drempelbedrag) van € 1.500 en uitbreiding van de bijstand naar bijstand bij invordering van toeslagen (artikel 26).

 

In werkingtreden BRNC

 

BRNC treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand die volgt op de publicatie ervan in het Staatsblad. De bepalingen van de regeling vinden toepassing voor belastingjaren en tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de BRNC in werking is getreden.

Met betrekking tot aan de bron geheven belastingen, vinden de bepalingen van de BRNC toepassing voor betalingen die zijn gedaan op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin BRNC in werking is getreden.

Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u naar aanleiding van dit bericht nog vragen hebben, dan kunt u ons een email sturen naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Voor overige contact gegevens verwijzen wij u naar onze website www.paassendelsol.nl.

 



[1]De informatie in dit memorandum is van algemene aard en mag niet beschouwd worden als een advies van Paassen Delsol Tax Lawyers. Wij

aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen die al dan niet kunnen voortvloeien uit enige rechtshandeling die wordt ondernomen

of niet wordt ondernomen op grond van dit memorandum.

[2]Mw.mr. Shulaika Paassen-Delsol is werkzaam bij Paassen Delsol Tax Lawyers

Risico’s van het zijn van bestuurder of commissaris bij een NV, BV, coöperatie, vereniging, stichting of kerkgenootschap

Lees meer...

Memo voorstel van Rijkswet inzake Belastingregeling Nederland Curacao

Lees meer...